Heijmans_Sport_DEF

De ideale weg naar goud

Je kunt miljoenen investeren in een topsportcentrum, maar uiteindelijk zijn het de sporters die de trainingslocatie tot een succes maken. En alléén de sporters. Niet de bouwers. En zeker niet de juristen. Dat geldt voor Almere, waar het nationale schaatsstadion komt na een juridisch gevecht, net zozeer als voor Papendal in Arnhem, het sportcentrum waar het Olympisch Comité NOC*NSF huist. Nederlandse Olympische sporters zoals Sven Kramer en het Nederlands Dameshockeyteam trainen in dit sportcomplex voor de Olympische Spelen.

Het roept de vraag op wat een trainingslocatie nou eigenlijk aantrekkelijk maakt voor sporters. Uit mijn eigen ervaring weet ik dat een topsporter eigenlijk maar één ding verlangt van de ideale trainingslocatie. Je moet je er volledig op de sport kunnen richten en daar mag niets van afleiden. Zo simpel als het klinkt, zo moeilijk is het om een complex te ontwerpen dat aan deze eisen voldoet.

Ideale trainingslocatie
Vijftien jaar geleden heb ik wel eens een trainingskamp gehad op Papendal. Toen ademde het voor je gevoel de sfeer van een ‘strafkamp’. Er was er wel een hockeyveld, maar de kamertjes waren piepklein, de bedden waren slecht net als het eten. We zaten in die tijd liever in een gewoon hotel en trainden bij clubs verspreid door het land.

Gelukkig is er sindsdien veel veranderd. Heijmans heeft op Papendal het sport-innovatiecentrum gebouwd, een nieuwe (binnen en buiten) atletiekbaan, een Sport & Onderwijsgebouw speciaal voor sporters en een 4-sterren hotel. Voor de Olympische Spelen van 2012 heeft Heijmans zelfs een exacte kopie van de BMX-baan aangelegd. Het lijkt daardoor meer en meer op de Olympic Training Centers zoals ik die gewend ben in Amerika. Dat zijn echt ontmoetingsplekken met goede faciliteiten die helemaal op de sporters zijn toegesneden. Neem San Diego, waar we met het Nederlands Elftal op trainingskamp zijn geweest. Je hebt er je eigen plek, bent in twee minuten op het veld, onder de douche of in de eetzaal en je kunt gezonde maaltijden kiezen te over. Dat is top! Je bent dan alleen nog maar met sport bezig en niet met de randvoorwaarden, dat is precies wat je wil.

Ook Papendal heeft dat nu veel beter voor elkaar. Je kunt er binnen trainen. Je kunt buiten trainen. Er is een krachtsportcentrum. Je kunt eten wanneer je wil. De douches zijn goed. De bedden zijn lang genoeg. Je kunt er ook goed recreëren, bijvoorbeeld fietsen en golfen. Het lijken details, maar ze zijn superbelangrijk omdat ze je prestaties beïnvloeden, hoe minimaal ook. Want dat is de ontwikkeling in de sport: het gaat niet meer om enorm grote verschillen tussen jou en je tegenstanders. De procenten en soms de tienden van procenten maken het verschil. Zij bepalen of je Olympisch kampioen wordt of niet. Sporters weten dus heel goed wat ze willen en hoe ze het willen. En als ze het op de ene plek niet krijgen, gaan ze ergens anders heen waar ze het wél krijgen.

Vrijheid creëren
Bij onze voorbereiding op de Olympische Spelen in Peking (2008) hebben we ook geprobeerd zo veel mogelijk onze eigen stempel op de omstandigheden te drukken. Ondanks dat je op zo’n gigantisch wereldwijd evenement geen echte invloed kunt uitoefenen, want de regels van het IOC en NOC*NSF zijn heilig. We maakten zelf gedetailleerde afspraken over de meest simpele dingen, over voeding, vetpercentages en alcohol, maar ook over slaap- en wektijden en de vraag of de gordijnen open of dicht moesten. In ons appartement in het Olympisch dorp zijn we met de bedden gaan schuiven om niet alleen op een kamertje te hoeven liggen, we bouwden een woonkamer om tot fysiotherapie-behandelruimte. In één van de kleedkamers bij het hockeyveld hebben we een koelmachine neergezet en we kochten fietsen, wat eigenlijk niet mocht van het Olympisch Comité. Telkens gaat het er feitelijk om dat je als sporter je eigen vrijheid zoekt en je eigen voorwaarden wil kunnen creëren. Het gevoel dat je dat voor elkaar krijgt, dat je invloed hebt, kan de doorslag geven, al maakt het maar een tiende procent uit.

Luisteren
Waar het bij de ontwikkeling van nieuwe faciliteiten dan ook in de eerste plaats om moet gaan is: luisteren naar de sporters. Zoek de dialoog met de eindgebruiker. Daarmee kun je meerwaarde bieden op heel simpele manieren. Spelers hebben best een mening over wat een zaal of een veld goed maakt, over de manier waarop je een kleedkamer het beste kunt inrichten en hoe de andere faciliteiten eruit moeten zien. Als je dat goed doet, kun je het voor een club ook weer interessant maken om bijvoorbeeld nationale teams aan te trekken of andere activiteiten te ontwikkelen die van een nieuw clubhuis of sportcomplex centra te maken met een bredere functie dan het huisvesten van sportfaciliteiten. Waardoor ze misschien ook weer gemakkelijker zijn te realiseren en te financieren. Dat is niet alleen belangrijk voor de sporters zelf, maar in het belang van de hele gemeenschap.

Sport

plaats een reactie